Jan Rotmans over Agora

In het nieuwe boek Kanteltijd van Transitiehoogleraar Jan Rotmans staat een interessante analyse van de polycrisis waarin Nederland verkeert. Maar hij biedt ook hoop door op zoek te gaan naar de positieve onderstromen die langzaam naar de bovenstroom kruipen. Eén daarvan is Agora onderwijs. Als ca. 25% van de onderwijsvernieuwers in de onderstroom de bovenstroom raakt, is er sprake van een kantelpunt. Die is volgens Rotmans nog niet bereikt, dus aan de slag om die 25% te bereiken. Dit schrijft Jan Rotmans over Agora:

Een interessant voorbeeld van nieuw onderwijs is het Agora-concept; agora is het Griekse woord voor ‘plein’. Het concept is op een middelbare school in Roermond ontwikkeld onder de bezielende leiding van onderwijskunstenaar Sjef Drummen en directeur Jan Fasen. Bij het Agora-onderwijs krijgen leerlingen veel vrijheid en verantwoordelijkheid, ze kiezen hun eigen leerroute, worden begeleid door een coach en zijn zelf verantwoordelijk voor hun leerproces. Vakken worden ingebed in verschillende ‘werelden’ om leerlingen voor te bereiden op de wereld van morgen.

Het Agora-onderwijs is een van de vele vormen van onderwijsvernieuwing als antwoord op een onderwijssysteem dat is vastgelopen. Al decennialang zit ons onderwijs gevangen in de wurggreep van een verouderd systeem. De doorgeslagen meet-, toets- en controlecultuur is daar een duidelijk symptoom van: alles moet worden gemeten om aan een opgelegde norm te voldoen. En dat legt een constante grote druk op iedereen. Scholen moeten presteren, anders gaat dat ten koste van hun reputatie en krijgen ze minder leerlingen. Docenten moeten presteren met dwingende lesmethoden waarbij weinig ruimte is voor eigen initiatief. Leerlingen moeten presteren, anders vallen ze buiten de boot en schaadt dat hun carrière. Ouders eisen prestaties van hun kinderen en van de school en uiten bij het minste of geringste hun kritiek op de school.

Ondertussen wordt er voortdurend aan het onderwijs gesleuteld om het beter te maken. Zonder veel resultaat, want over de hele linie is de kwaliteit van het onderwijs de laatste decennia alleen maar afgenomen. Die wurggreep, een vicieuze cirkel waarin iedereen elkaar gevangenhoudt, is geworteld in een industrieel negentiende-eeuws onderwijsmodel met één leraar voor de klas die één verhaal vertelt aan dertig leerlingen. We behandelen dus elke leerling gelijk en bieden hun allemaal collectief dezelfde lesstof aan. Maar als je elke leerling gelijk behandelt, krijg je juist toenemende ongelijkheid. Ieder mens is uniek en dus ongelijk, maar elk mens moet wel gelijke kansen krijgen. Het huidige onderwijssysteem leidt dan ook tot meer ongelijkheid. ‘Kinderen passen niet in een hokje, tabel of spreadsheet. Kinderen zijn het creatiefst rond hun vierde jaar, doordat ze dan onbelemmerd kunnen denken. Daarna gaan ze in de mal van het onderwijs, worden gedisciplineerd en verliezen gaandeweg hun creativiteit. Hoe mooi zou het zijn als we de creativiteit van kinderen zouden stimuleren in plaats van afremmen.

De kern van de transitie in het onderwijs is een verschuiving van standaard- naar gepersonaliseerd onderwijs (niet geïndividualiseerd onderwijs, omdat collectief leren belangrijk blijft), van rendement naar rendemens (met de leerling centraal), van controle en beheersing naar ruimte en vrijheid en van vakken naar thema’s in multi- en interdisciplinaire vorm aangeboden, met een balans tussen theorie en praktijk, tussen kennis en competenties.

Het doel is kinderen en jongeren betekenisvol onderwijs te geven dat hen voorbereidt op een nieuwe economie en samenleving, waarin zij zich een leven lang ontwikkelen. Jonge mensen moeten immers wendbaar en veerkrachtig worden om zich te kunnen handhaven in een turbulente wereld. Het kan niet zo zijn dat wij mensen opleiden voor beroepen die over tien jaar niet ‘meer bestaan en dat we de beroepen die er dan wel zijn niet in het huidige curriculum meenemen.

Gelukkig bruist het in de onderstroom van nieuwe vormen van onderwijs die antwoorden bieden op de uitdagingen van onze tijd. Die enorme ommezwaai is er al op kleine schaal, een onderwijssysteem dat weer in dienst staat van mensen, zodat die het beste kunnen halen uit kinderen en jonge mensen.

De kern van het Agora-concept is dat elke leerling een individuele leerroute volgt om zo goed mogelijk voorbereid te zijn op de wereld van morgen. Uitgangspunt is dat leerlingen worden opgeleid voor het hele leven, dat bestaat uit vijf werelden: de wetenschappelijke wereld, de kunstzinnige wereld, de maatschappelijke wereld, de sociaal/ethische wereld en de spirituele wereld. Alle vakken worden dus geplaatst in dit bredere perspectief van de verschillende werelden. Men wil geen egoïstjes kweken die excellent zijn, maar mensen opleiden waar de wereld wat aan heeft.

Leerlingen hebben veel vrijheid om hun eigen leerdoelen te bepalen en te werken aan projecten die hen interesseren. Het idee is om de natuurlijke drang van kinderen te stimuleren om te leren en hun eigen interesses te volgen. Leerlingen leggen hun leerproces digitaal vast en reflecteren op hun eigen ontwikkeling. Schoolvakken zijn vervangen door onderzoek en projecten, waarbij leerlingen niet beoordeeld worden met cijfers. Uiteindelijk wordt er wel toegewerkt naar een regulier eindexamen.

Agora-onderwijs vraagt nogal wat van alle betrokkenen. Allereerst van de organisatie, want als er honderd brugklassers zijn heb je honderd verschillende leerroutes nodig met de bijbehorende begeleiding. Ook van de leraar vraagt dit het nodige, want die wordt nog belangrijker dan hij al was. De docent is vooral een gids die leerlingen door verschillende werelden heen loodst. Maar tegelijkertijd is de leraar ook een vakmens die leerlingen inwijdt in zijn/haar discipline en structuur, en kaders aanbrengt voor leerlingen. Dat vergt van de leraar een professionele en flexibele geaardheid die het vakdocentschap overstijgt.

Van de leerling wordt een actieve en gemotiveerde instelling verwacht. In nauw overleg met een docent wordt een persoonlijke leerroute opgesteld, waarbij de leerling eigenaar wordt van zijn of haar leerproces. De voortgang van de leerling wordt transparant in kaart gebracht

Ook van de ouders wordt een actieve opstelling verwacht. Van ouders wordt gevraagd om vier dagen per jaar op school aanwezig te zijn, waarbij ze actief worden betrokken bij de leeromgeving van hun kind.

Agora-onderwijs voldoet aan alle eisen die door de Onderwijsinspectie worden gesteld. De leerlingen doen ook gewoon eindexamen. Begonnen in 2014 op één middelbare school, zijn er inmiddels zo’n dertig scholen in het primair en voortgezet onderwijs die Agora-onderwijs geven. Er is dus sprake van opschaling.

Voor mij is het Agora-concept geen panacee, het is niet hét antwoord op de uitdagingen waar het onderwijs voor staat. Er zijn ook andere vernieuwende onderwijsconcepten die interessant zijn. Het gaat mij om de kracht van de vernieuwende initiatieven in de onderstroom, à la Agora, die langzaam maar zeker hun weg vinden in de bovenstroom. En als ca. 25% van de onderwijsvernieuwers in de onderstroom de bovenstroom raakt, is er sprake van een kantelpunt, maar voorlopig is dit kantelpunt nog niet bereikt.

Michiel Verbeek

2 augustus 2027


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *